Stichting Tilburgse Taol

Humor, een litteken op de Tilburgse ziel



Het Rijke Roomsche Leven en de Tilbörgse Taol


(Door Paul Spapens)

Het groot Diktee van de Tilbörgse Taol heeft elke keer een thema. Het onderwerp van de twaalfde editie van dit populaire evenement van Tilburgse volkscultuur is het Rijke Roomsche Leven. Tilburgers hebben het trouwens dikwijls over het ‘Rijkse’ – met een ‘s’ achter de ‘k’ – Roomsche Leven.


Dit thema is een kolfje naar de hand van de Stichting Tilburgse Taol. Het succes van de jaarlijkse dicteeavond, veelvoudig gekopieerd in andere plaatsen in Brabant, is de koppeling van het dialect aan de volkscultuur. Folklore en volkscultuur drukken zich namelijk uit in het dialect. Een voorbeeld zijn de oorspronkelijke Driekoningen-liedjes die in het dialect zijn en nu nog steeds door kinderen in het dialect worden gezongen, terwijl ze zelf geen dialect meer kennen.


Driekoningen, Driekoningen, gif me ‘ne nuuwen hoed……


Door het Tilburgse dialect te koppelen aan de Tilburgse volkscultuur komt de volkstaal als het ware tot leven. Dat geeft herkenning, ís een feest der herkenning. Tegelijk is het een gelegenheid om aandacht te hebben voor de volkscultuur, deze door te geven en in ieder geval op te tekenen zodat deze belangrijke informatie niet verloren gaat. Van dat laatste geeft deze unieke editie van Rooms Leven aansprekende voorbeelden in de vorm van liedjes en ‘stukskes’ uit de tijd van het Rijke Roomsche Leven.


Uit deze periode zijn vele tientallen liedjes en voordrachtjes bewaard gebleven. Deze liedjes zijn, net als die tijd zelf, doorspekt van humor, goedmoedige humor, maar wel humor als een litteken op de ziel. Humor die door zijn aard bijna niet meer van deze tijd is, maar die destijds de Tilburgse mens op de been hield. Humor die hielp te relativeren, zoals de Tilburger die ruzie had met de pastoor van Korvel en zijn boosheid als volgt uitdrukte:


Ak bè jou te biechten moes, dik nèt zô lief gin zonden….


Op een ijzersterke manier pareert hij hiermee de ontzaglijke macht van meneer pastoor tijdens het Rijke Roomsche Leven. Een macht die zich in de Brabantse volksmond als volgt uitdrukte:


Pist nie teege de kèrkemuurkes, want dè drèùgt nôot op.


Met andere woorden: je mocht (of kon dat in ieder geval proberen) zelfs je stem verheffen tegen de burgemeester, de bovenmeester of andere notabelen, maar tegen de geestelijkheid hield je je mond. Ooit zou zich dat tegen jou keren; kritiek droogde nooit op, werd nooit vergeten.


Humor was een strategie in de omgang met het kerkelijk gezag. De gelovigen hadden een specifiek repertoire aan actiemiddelen, zoals de onschuldige, maar veelzeggende spot op feesten en partijen. Alle voordrachten en liedjes die te horen zijn tijdens het Groot Diktee van de Tilbörgse Taol zijn daar voorbeelden van. Er zijn vele tientallen voorbeelden bewaard gebleven van deze orale cultuur, volkscultuur op z’n best, zoals deze:


Jezus sprak tot zijn discipelen

Die geen fiets heeft moet maar tippelen


Of deze:


Amen, zei de koster en hij poepte in de kerk

Foei, zei de dominee, wat is dat voor werk?

Ja, zei de koster, dat ben ik gewoon

Gif me mèr een todje en dan veeg ik ’t schoon


De humor, zoals te horen in de voordrachtjes, versjes en liedjes, heeft betrekking op alle aspecten van het leven en van het geloof. Zeker met de angstaanjagende hel werd de spot gedreven. Logisch in een tijd en een wereld waarin heel het leven er op was gericht om uit de hel te blijven en in de hemel te komen. Je moest wel kunnen lachen om de hel, want hoe kon je anders als aardse sterveling omgaan met de verschrikkingen.


Het frappante is dat de geestelijkheid dezelfde strategie toepaste om de strenge moraal leefbaar te houden. Ook de pastoors en de paters maakten talrijke grappen om de zwaarte te relativeren. Voor hen had humor net zo goed een ventielfunctie.


Daardoor – end at is interessant om te benadrukken – daardoor werd die moraal op zijn beurt versterkt. Het bespotten was tegelijk een bevestiging van de almacht van de kerk, van het katholieke geloof. Door middel van humor gaven zowel de geestelijkheid als de gelovigen bij wijze van spreken de zegen aan de dagelijkse praktijk van het geloof.

Het bestaan van deze teksten laat zien dat de gelovigen in een feestelijke context de ‘macht van het woord’, in de kerk voorbehouden aan de man op de preekstoel, gebruikten om in een rollenspel de op een feest begane zonden te relativeren. Overigens zonder het systeem in zijn grondvesten aan te tasten. Integendeel, dergelijke feestrijmen waren een manier bij uitstek om de ‘vier uitersten’ van de mens hanteer baar te maken. Deze ‘vier uitersten’ waren dood, hemel, hel en vagevuur. Nogal zware kost dus waartegen de katholieke Tilburger zich wapende met humor.


Menu


Home
Archief
Dikteej
Teksten
Vragen
Winkel
Organisatie
Activiteiten
Links


De activiteiten van de Stichting Tilburgse Taol worden mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van de Rabobank Tilburg en omstreken.